Deel III Het sociale puberbrein

De afgelopen twee weken zijn de algemene ontwikkeling van het puberbrein en het emotionele puberbrein aan bod geweest.
Deze week is ‘Het Sociale Puberbrein’ aan de beurt.
We zien het sociale gedrag van pubers met de tijd veranderen. Ze trekken steeds meer op met leeftijdgenoten. Ze lijken zich meer en meer af te sluiten voor de volwassen wereld. Als je als ouder vraagt hoe het gaat (op school), komt er meestal weinig uit, behalve wat zuchten, morren en soms een ‘wel oké’. De mening van volwassenen wordt niet meer ‘zomaar’ voor waar aangenomen. Elk onderwerp (in de ogen van volwassenen soms onbelangrijk) kan tot een discussiepunt verheven worden door de adolescent.
Waar komt dit gedrag vandaan, wat gebeurt er eigenlijk van binnen?

III. Het sociale brein

Die kicks, het plezier, de activatie van het beloningssysteem, dat gaat maar al te vaak samen met de ‘peers’ die een steeds grotere plek in het leven van de pubers innemen. Vrienden zijn altijd belangrijk, in elke fase. In de puberteit gaan jongeren zich ook meer en meer spiegelen aan hun vrienden. Hun meningen, normen en waarden en dat wat hun vrienden doen krijgen steeds meer gewicht. En het zet de jongeren ook aan het denken over dat wat zij hebben meegekregen van huis uit. Processen die allemaal bijdragen aan het ontwikkelen van een eigen identiteit. Dit betekent overigens niet dat dat wat ouders zeggen en doen helemaal geen invloed meer  heeft. Ook pubers blijven waarde hechten aan dat wat zij hebben meegekregen en meekrijgen.

Dat gebeurt aan de buitenkant. Maar wat gebeurt er van binnen, in de hersenen?
Onderzoeken hiernaar zijn nog steeds gaande. Wat we al wel weten over sociale puberbrein-gebieden kunnen we baseren op de kennis over dat wat we weten van het sociale volwassen brein. Een invalshoek die hierbij genomen wordt, is die van de morele ontwikkeling en redeneren (o.a. Jean Piaget en Lawrence Kohlberg). Centraal staat de kernvraag “Wat zijn iemands intenties, waarom handelt iemand zoals hij doet?”. Bij het redeneren en afwegen zijn verschillen te vinden tussen persoonlijke morele dilemma’s en niet persoonlijke morele dilemma’s

In het volgende figuur staat een overzicht van welke hersengebieden bij welk type dilemma betrokken zijn en welke bij pubers de overhand hebben.

Figuur 1. Betrokken hersengebieden bij (niet) persoonlijke dilemma’s

 

De mediale prefrontale cortex speelt een rol bij het je kunnen verplaatsen in een ander. Dit wordt ook wel Theory of Mind genoemd. De vaardigheid om te begrijpen dat andere personen andere gedachtes en gevoelens hebben dan jij. En de vaardigheid om te kunnen interpreteren wat die ander denkt, voelt, of zal doen. De mediale prefrontale cortex ligt tussen de emotie-gerelateerde hersengebieden en de redenatie-gerelateerde hersengebieden in. Dat is gunstig voor de samenwerking van deze twee systemen.

In de puberteit zijn de emotionele hersengebieden actiever en sterker dan de rationele hersengebieden. Hierdoor worden (morele) afwegingen vaker gemaakt ten gunste van directe beloftes aan en vertrouwenskwesties met de peers, in plaats van een indirecter, meer overkoepelend belang, veiligheid en/of maatschappelijke regels en afspraken.  Uit hersenscans  blijkt dan ook dat de mediale frontale cortex en de nucleus accumbens van de basale ganglia sterk geactiveerd worden bij het zien van vrienden. Gebieden die betrokken zijn bij het nadenken over gedachten en intenties van anderen, belangrijk bij het vormen en onderhouden van vriendschappen.
Een andere ontdekking die gedaan is bij hersenscans, is dat het voor jongeren erger is om buitengesloten te worden dan gepest. Volledig genegeerd worden leidt tot stress, depressieve gevoelens en een afname van het gevoel van eigenwaarde. Die emotionele pijn van buitengesloten worden is terug te zien in de hersengebieden die actief worden bij fysieke pijn, namelijk de insula en de anterieure cingulate cortex.
Andersom worden bij sociale acceptatie dezelfde hersengebieden actief als bij beloning, namelijk het striatum.
De prefrontale cortex die helpt om deze gevoelens te reguleren en te rationaliseren zijn bij adolescenten nog niet voldoende ontwikkeld, waardoor de adolescentie een extra gevoelige periode is voor afwijzing en acceptatie.

Dit was alweer deel III van de Puberbrein reeks.
Volgende week staat het lerende brein van pubers centraal.
Waardoor kunnen ze hun schoolwerk vaak zo slecht organiseren? Waarom denken ze niet vooruit? Waardoor vergeten ze hun huiswerk (te maken) en verslagen in te leveren? Waarom letten ze zo slecht op in de les en zitten ze zoveel te kletsen?
We zijn er toch om ze nieuwe dingen te leren, een goede basis te geven, zodat ze later kunnen gaan doen waar ze goed in zijn, wat bij ze past? Als ze zich eens (wat meer) zouden inzetten, dan ligt de wereld straks voor ze open!
Maar die nonchalante houding vaak, totaal geen motivatie…
Herkenbaar als ouder en docent? Houd de site dan in de gaten, of schrijf je direct in voor de Sensi-Zine en je bent altijd als eerste op de hoogte!

Bewaren

Bewaren

Kalender

april 2019
m D w d v Z Z
« feb    
1234567
891011121314
15161718192021
22232425262728
2930